C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 250, 282
|
Zwikreliëf z38 was vóór de restauratie van 1921 zeer sterk verweerd. De bovenste delen waren zelfs nauwelijks meer herkenbaar. Aan de linker zijde was een naakte, mannelijke figuur te zien, het lijf geheel bedekt met krullend haar en het geslacht prominent zichtbaar. De figuur had het rechter been gestrekt en het linker hoog opgetrokken. Beide blote voeten steunden niet op een console maar op een grotendeels verdwenen, draakachtig wezen, waarvan de staart om het gestrekte been van de man kronkelde. De kop van het monster was geheel verdwenen. De torso van de figuur was goeddeels afgebroken, maar wel was nog zichtbaar dat de verdwenen linker arm een deels bewaard schild ophield, waarvan de binnenzijde zichtbaar was en dus een afwerende houding naar de andere figuur innam. De rechter arm was alleen nog als afdruk zichtbaar, waaruit was af te leiden dat de figuur hier iets moet hebben omhoog gehouden. Links naast de figuur waren resten van een lange cape of hoofddoek te zien. Het hoofd tenslotte was geheel verdwenen; ook hier was slechts een afdruk bewaard. De rechter figuur moet gezien de pose en de resten van een baard ook een man zijn geweest. De man stond met een gestrekt en een opgetrokken been op een monster, waarvan de naar onderen hangende kop geheel was afgebroken. De staart van het beest slingerde zich net als links rond het gestrekte been van de man. Deze droeg hoge, puntige schoenen, strakke hozen en een wijde, sterk plooiende mantel. In de linker hand hield de man een schild op, waarop nog net zichtbaar was dat deze was versierd met een masker van een sterk fronsende figuur met baard. Boven het schild was nog juist een stuk van een lange baard zichtbaar, en van een hand die het heft van een geheven, maar verder verdwenen zwaard omklemde. Het hoofd van de man was zeer sterk verweerd. Wel was nog afleesbaar dat de man een lange hoofddoek, vermoedelijk gecombineerd met een tulband, moet hebben gedragen. Opmerkelijk was tenslotte dat tussen de blokken waaruit de figuren waren gehakt, grote vulstukken in de vorm van flinke tufsteenblokken waren ingevoegd om bij het aanbrengen tijdens de bouw de reliëfs passend te maken. In zijn pogingen om de zwikkenreeks integraal te verklaren zag Xavier Smits, waar in werkelijkheid een monster is geweest aan de voeten van de linker figuur, de restanten van een zwaan. Hierop baseert hij een fantasierijke interpretatie over Brabantse Zwaanridder: “(-) De oude Brabantsche Zwaanridder – een vorstenzoon van Pannonische en Sycambrische herkomst, een boezemvriend van Julius Caesar – staat voor ons. Zijn naam is Brabon Sylvius, aan wien Brabant zijn naam zou ontleenen. Deze Zwaanridder, in een schuitje gezeten, was langs de Rijnoevers uit verre streken te Nijmegen aangeland. Eene zwaan voor zijn vaartuig zwemmend, had den ridder den rechten weg gewezen naar den ouden stadsburcht, waar de romantische Brabon zijne geliefde vond. De hertogen van Brabant beroemden er zich op, dat zij van den Zwaanridder afstamden. Brabon Sylvius, met zijne getrouwe zwaan-geleidster op de frontaal afgebeeld, is de personificatie der Brabantsche hertogen, van wie de stichter der stad ’s Hertogenbosch: Hendrik I en Jan-Zonder-Vrees (frontaal nummer 8), de Saracenen bevochten hadden. De Zwaanridder in schapenvacht gehuld (als wildeman of reus), heeft met zijne (helaas verdwenen) lans den op hem aanvallenden Heiden den doodsteek toegebracht. (-) Sedert het ontstaan van Brabant hebben dus zijne helden, zijne ridders, zijne bescherm- engelen en zijne hertogen het christenvolk met zijne heiligdommen verdedigd tegen alle belagers en aanvallen van buiten, zooals dit heldendicht, in steen gebeiteld, ons aanschouwelijk heeft voorgesteld”.64 Er was helemaal geen zwaan, dus ook geen zwaanridder. Toch is het geen vreemde gedachte dat deze legende hier zou kunnen zijn uitgebeeld, want deze voorstelling is ook aan de koorbanken uitgesneden.65 Mosmans vatte de linker figuur terecht op als een wildeman. In 1931 schrijft hij: “Opgemerkt dient te worden, dat hetgeen Dr Smits voor den Zwaan der Brabonsage aanzag, een draak bleek te zijn, zich krullend om den kuit, niet van een in schapenvacht gehulden ridder, maar van een geheel behaarden oermensch. De oermensch heeft een fladderend rugmanteltje aan, draagt een zwaar schild en tracht met een geweldigen knods zijn tegenstander een doodelijken slag toe te brengen”. Mosmans is hier met de knots wat voorbarig, want er was voor de restauratie helemaal niets meer te herkennen en elk ander slagwapen zou hier uitgebeeld kunnen zijn geweest. Hij doet vervolgens een vruchteloze poging om het reliëf te verklaren aan de hand van “een in de bouwloods levend idee, dat hier een geweldige, voorwereldlijke reuzenstrijd werd uitgestreden (-)”. Er volgt een nog ongeloofwaardiger verklaring voor de beide westelijke reliëfs aan het koor, waar de door hem zelf vastgestelde wildeman niet meer aan te pas komt: “Mogelijk hebben Bossche schermers bepaalde conflicten van staatkundigen of hiërarchischen aard, waar zij al dan niet bij betrokken waren of konden worden, tijdens hunne | 239 |
|
oefeningen in de schermschool, als spel, realistisch weergegeven, nabootsingen, welke dan nadien als plastiek eene plaats gevonden hebben aan de Sint Jan. Welke conflicten weet ik niet. Men kan even denken aan de Heidro(s)ten, (Hedrois of Haïsseurs de droit) die van 1390 tot 1418 onze bisschopsstad Luik overhoop zetten. De rechtsche figuur op frontaal Z [z24] draagt een rij van 5 of 6 dorre takjes, (heikruid?) op zijn borstkleed gebeiteld. Ik blijf echter aan het probleem der frontalen Z-ZZ [z24 en z38] mijne aandacht wijden en kom misschien nog tot eene andere beoordeeling”.66 Mosmans kwam echter nooit meer terug op deze bespiegelingen. In 1855 werd het reliëf door de gebroeders Donkers in een grove schets vastgelegd. Hierop is te zien dat op dat moment het hoofd van de rechter figuur nog aanwezig was. De wijze waarop de hoofdvorm van het hoofd door de restauratoren is gereconstrueerd, lijkt niet in strijd met wat er op de schets zichtbaar is. De opmerkelijke overeenkomst met een van de zwikreliëfs aan het hoogkoor in Diest was Mosmans ook opgevallen: “Ik verwijs hier ten slotte, curiositeitshalve, naar eenige frontalen aan de Sint Sulpiciuskerk te Diest in België. (-) Op de tweede frontaal ziet men twee alledaags gekleede, ongeharnaste burgers, schermend met knodsen en zich dekkend achter met mom-aanzichten beladen schilden, alles voorzeker eerder burgerlijke of folkloristische feiten illustreerend dan godsdienstige symboliek uitbeeldend”.67 De legende van de Zwaanridder al uitgesloten, zou hier in beide gevallen een andere volksvertelling kunnen zijn bedoeld, die van Ourson en Valentijn. Het verhaal van de als wildeman in het bos opgegroeide Ourson die het gevecht aangaat met zijn broer Valentijn, zoon van koning Pepin, speelt immers een rol in de in die tijd belangwekkende afstammingslijn van de Brabantse hertogen. | 240 |
| Noten | |
| 65. | Koldeweij 1991, 76-77. |
| 66. | Mosmans 1935, 153-154. |
| 67. | Mosmans 1935, 154. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 239-240
|
Vooraf dient opgemerkt te worden, ten aanzien van den geheel behaarden man op ZZ, dat de houding van diens rechterarm met vastgenepen knots, niet hersteld is overeenkomstig de aanduidingen van het oude werk. Zijn pose had behooren weergegeven te zijn als die van den linkschen behaarden man op frontaal No. 16. Het rugmanteltje is foutief en moet een lange hoofdsluier zijn. Ook heeft men hem m.i. ten onrechte een woedend gezicht gegeven, zulks onder suggestie van een in de bouwloods levend idée, dat hier een geweldige, voorwereldlijke reuzenstrijd werd uitgestreden. Man had beter gedaan - bij het ontbreken van de oorspronkelijke sculpturale gegeven - het gebaarde gelaat van frontaal 16 tot voorbeeld te kiezen en na te maken. (afb. ZZ) | 153 |
Jan Mosmans, ''s-Hertogenbosch 1185-1935' (1935) 139-156
| 1931 |
Jan MosmansFrontalen van het priester-choor (No. 15)De St. Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 298 |
Harry Boekwijt, Ronald Glaudemans en Wim Hagemans, De Sint-Janskathedraal van 's-Hertogenbosch (2010) 65, 267
Ronald Glaudemans, Het hoogkoor : De wimbergreliëfs (2010) 82-87
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 238-240
Ronald Glaudemans, Sint-Janskathedraal : Bouwhistorisch onderzoek 1999-2008 (2010) 123
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 238, 250, 282
C.F.X. Smits, De Kathedraal van 's Hertogenbosch (1907) 170-171, plaat XIII